|
Deze gravure had ik opgescharreld
|
De slag op de Hardenberger heide Ruim vierhonderd jaar geleden vond in deze omgeving een veldslag plaats, die nauwelijks de geschiedenisboeken gehaald heeft, doch die destijds nogal wat gevolgen heeft gehad. Zoals bekend waren de Koning van Spanje (Philips de Tweede) en de opstandige Staten van Holland onder de leiding van Willem van Oranje gewikkeld in de langdurige en bloedige Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), waarbij de krijgskansen nogal eens wisselden. Met de komst van Parma keerde het tij ten gunste van de Spanjaarden. Zo koos in het Noorden de stadhouder Rennenberg onverwachts voor de Spaanse zaak (3 maart 1580). Zijn invloed bleef echter beperkt tot de stad Groningen, want de Ommelanden waren bijzonder verbitterd door dit verraad en toonden dit door ondermeer de klokken uit de dorpstorens te halen en er geschut van te gieten! Willem van Oranje reageerde op deze gebeurtenissen door het zenden van een belegeringsmacht van 13 vendels voetknechten en 2 kornetten ruiters. Later werden hieraan nog extra versterkingen toegevoegd onder leiding van ondermeer de graaf van Hohenlo, zodat tenslotte vierenvijftig vendels voetvolk en twaalfhonderd ruiters voor Groningen lagen.De Groningers hielden stand, daardoor aangemoedigd door het bericht dat vanuit het zuid-oosten een ontzettingsmacht naderde onder leiding van Maarten Schenk. Dit leger bestond uit veertien vendels voetvolk, drie kornetten speerruiters en een vendel busschieters (drieduizend man voetvolk en zeshonderd ruiters). Als tegenmaatregel werd een deel van het bezettingsleger de ontzettingsmacht tegemoet gezonden. Velen meenden dat dit een riskante onderneming was. Hohenlo nam de leiding op zich van de troepenmacht, bestaande uit achttienhonderd voetknechten, veertienhonderd a tweeduizend ruiters en vijf stukken geschut, en haastte zich in geforceerd tempo op de snikhete, windstille, zeventiende juni de vijand tegemoet. Deze had inmiddels alle gelegenheid gehad om zich in het stadje Hardenberg op te frissen (o.a. met veertien tonnen bier!). Rustig kon derhalve de kundige Maarten Schenk zijn troepen opstellen in het zuid-westen, zodat hij de zon in de rug had. De plaats waar zich het één en ander afspeelt, wordt genoemd de Sta(a)lbrink. Het is al middag als de vermoeide troepen van Hohenlo zich opstellen, waarbij vervelend is dat zij de zon recht in het gezicht hebben. Op de ene flank plaatst Hohenlo drie vendels schutters te paard (Friezen). Op de andere flank de resterende ruiterij en het geschut. Daarachter staat over de gehele lengte het voetvolk. Na het gebed renden de Friese ruiters, aangevoerd door Hohenlo, vooruit, waarbij het tot een treffen kwam met twee kornetten Spaanse ruiters. Deze laatste delven het onderspit en nemen in hun vlucht het daarachter geplaatste voetvolk mee. De Spaanse zaak lijkt verloren. Terwijl de Friese ruiters een wijde boog maken voor een nieuwe aanval, ondernemen echter Spaanse speerruiters, ondersteund door de busschieters, een aanval op Hohenlo's voetvolk, dat daarop onvoldoende verweer heeft en het hazenpad kiest. Een aantal weet nog enige tijd stand te houden op een met bomen begroeid veldje. Kapitein Wijngaarden en Vaandrig Nievelt behoren tot de gesneuvelden. In totaal zouden er wel twaalf- tot vijftienhonderd man zijn omgekomen aan de Staatse kant. Men verhaalt ook dat een uit Groningen meegetrokken nieuwsgierige burger, Popke Ufken, in zijn koets werd achterhaald en gedood. Hohenlo zelf weet na veel omzwervingen zich in Oldenzaal veilig te stellen. Velen vluchtten over de Vecht en door de moerassen. Een groot aantal gevangenen wordt gemaakt. Tot in de bossen bij Uelsen worden de vluchtelingen achterhaald, waarbij ook twee ruitervaandels worden buitgemaakt. Verder vallen in vijandelijke handen vier (wellicht vijf) stukken geschut, twaalf tonnen kruit, kogels, wagens, uitrustingsstukken en proviand.Daar tegenover staat een verlies aan Spaanse kant van slechts vijftien voetknechten en veertig speerruiters, doch deze getallen zijn wellicht niet geheel betrouwbaar. Inmiddels hadden de belegeraars van Groningen vreugdevuren aangestoken om de belegerden in de waan te brengen dat Hohenlo de overwinning had behaald. Toen echter de waarheid bekend werd, vluchtten de belegeraars naar alle windrichtingen en werd Maarten Schenk met zijn leger in triomf binnen de stad gehaald. Zonder overdrijving kan men stellen dat de nederlaag bij Hardenberg er voornamelijk toe heeft bijgedragen, dat Groningen nog lang in Spaanse handen bleef, om precieste zijn tot tweeëntwintig juli 1594, toen uiteindelijk Maurits de stad heeft ingenomen. J. T. A. te Gussinklo. Een groot deel van de soldaten was elders aangeworven als huursoldaat. De infanterie was bewapend met musketten, haakbussen, pieken, hellebaarden en degens (of rapieren). Musketten werden afgevuurd door middel van een brandende lonten waren zó zwaar dat een steun (fourquet) noodzakelijk was. De lichtere en minder ver dragende haakbus was nog veel in gebruik. De draagwijdte bedroeg respectievelijk 200 en 600 meter. Bedacht moet worden dat bijvoorbeeld met het musket slechts één schot per 2 minuten kon worden afgevuurd, waarvoor een groot aantal handelingen noodzakelijk was. De betrouwbaarheid van alle attributen liet daarbij ook nogal eens te wensen over. Het is derhalve niet te verwonderen dat de piekenier , die bewapend was met een 5 a 6 meter lange piek, nog de kern van de infanterie vormde. De piek diende voor het afweren van cavalerie en gaf stootkracht aan de infanterie-aanval. Hellebaarden, die o.a. een functie hadden bij de vestingverdediging, werden gedragen door de sergeanten. Officieren droegen korte pieken. De cavalerie was bewapend met zwaarden, spiezen, pistolen, etc. Van een straffe organisatie was geen sprake. Een kapitein had het bevel overeen 150 à 200 man. Vriend en vijand konden worden onderscheiden door de meegedragen vaandels. De aard van de bewapening maakte het noodzakelijk voor de infanterie om in gesloten
formatie op te treden, bij voorkeur op een
egaal terrein. Op de achtergrond ziet men, wat hoger gelegen, de stad Hardenberg. De rivier de Vecht kronkelt door het landschap. Links staan de Spaanse troepen opgesteld, rechts de Staatsen onder leiding van Hohenlo (staat terzijde van het geschut). Ter linker zijde rukken de Spanjaarden in gesloten formatie op, waarbij de piekeniers worden omsloten door een scherm arquebusiers (haakbusschutters). In totaal telt men bij het Spaanse voetvolk 15 vaandels. De formaties worden voorafgegaan door hellebaardiers. Geheel op de achtergrond staan enkele wagens, waarschijnlijk met voorraden. Meer op de voorgrond een groepje Staatse gevangenen onder begeleiding van o.a. een hellebaardier. Op de voorgrond is de geduchte Spaanse ruiterij, gewapend met lange spiezen, een onstuimige aanval begonnen. Men telt hier twee vaandels. Ver op de achtergrond ziet men nog een dergelijke, minder actieve, groep met één vaandel. Aan de Staatse kant is men duidelijk niet opgewassen tegen de thans ingezette aanval. Een deel van de ruiterij (met twee vaandels) vlucht reeds in de richting van de Vecht bij Hardenberg. Een ander deel, mogelijk met korte roeren of pistolen gewapend, stelt zich dapper teweer. Men herkent hier twee vaandels. Hohenlo zelf moedigt hen hierbij aan. Iets meer op de achtergrond is het geschut groepsgewijs opgesteld. Bij de voorste groep ziet men juist hoe de lont ontstoken wordt. Naast de achterste groep staat een emmer. Deze bevat water, waarmee de binnenzijde van de loop kon worden gereinigd. De Staatse troepen (8 a 9 vaandels) kiezen gedeeltelijk het hazenpad. Hier en daar ziet men reeds gevallenen en paarden zonder berijders. De komende nederlaag tekent zich al af. J. T. A. te Gussinklo. |